Voorman en operationele medewerker.
De ploeg staat klaar bij het water. De klus lijkt bekend. De voorman wil starten, want de planning loopt strak. De operationele medewerker ziet dat de werkwijze nog niet is besproken en dat niet iedereen het zwemvest al aan heeft. Hij twijfelt of hij er iets van moet zeggen, omdat iedereen al in beweging komt.
Voorman en operationele medewerker.
Op de bouwplaats rijden machines, liggen materialen langs de looproute en loopt iemand met zijn telefoon in de hand langs het werkgebied. De voorman ziet het gebeuren. De medewerker zegt dat hij bereikbaar moet blijven voor een levering en dat hij echt wel oplet.
Werkvoorbereider en voorman.
Voor een klus is materieel nodig dat eerder al storingen gaf. De voorman wil het gebruiken, omdat het beschikbaar is. De werkvoorbereider had ander materieel voorzien, al staat dat nog op een andere locatie. De voorman vindt dat de werkvoorbereider te theoretisch kijkt. De werkvoorbereider vindt dat de voorman de grens oprekt.
Voorman en operationele medewerker.
Aan het einde van de ochtend ligt de bouwplaats vol losse spullen. Slangen, kabels en restmateriaal liggen in de looproute. De operationele medewerker zegt dat opruimen aan het einde van de dag efficiënter is. De voorman wil dat het nu gebeurt, omdat de situatie steeds onoverzichtelijker wordt.
Projectmanager en voorman.
Een onderaannemer levert goed werk en is belangrijk voor de voortgang. Tegelijk werkt zijn ploeg met andere gewoonten: minder opruimen, minder melden, minder precies met PBM’s. De voorman wil dat de projectmanager ingrijpt. De projectmanager wil de relatie goed houden en vindt dat de voorman het op locatie moet oplossen.
Projectmanager en directie.
De opdrachtgever wil dat het werk sneller klaar is. De projectmanager merkt dat voorbereiding, overleg en veiligheidschecks onder druk komen te staan. Directie wil de klant serieus nemen en de relatie goed houden. De projectmanager wil rugdekking om een duidelijke grens te stellen.
Operationele medewerker en voorman.
Een medewerker heeft een bijna-ongeval gezien. Er ging niets mis, dus hij noemt het mazzel. De voorman wil dat hij het meldt. De medewerker vindt dat overdreven en zegt dat iedereen wel weet wat er gebeurde. Hij wil geen administratief gedoe en geen aandacht op zichzelf vestigen.
Werkvoorbereider en projectmanager.
Na een project bespreken de werkvoorbereider en projectmanager wat beter kon. Ze noemen dezelfde punten als bij het vorige project: late werkwijze, onduidelijke afspraken met derden en te weinig terugkoppeling. De werkvoorbereider wil vaste vervolgacties. De projectmanager vindt dat er al genoeg op de lijst staat.
Directie en operationele medewerker.
De audit is goed gegaan. Er is trots in het bedrijf. De directie wil dat succes vieren. Een operationele medewerker merkt dat mensen minder scherp worden: minder vragen stellen, minder melden, minder aanspreken. Hij wil dat de directie benoemt dat trede 4 geen eindpunt is. De directie wil voorkomen dat het voelt alsof het nooit goed genoeg is.
